home    about    browse    search    latest    help 
Login | Create Account

In vivo testing of alternatives for conventional treatment of Ascaris suum in pigs

van Krimpen, PhD M.M.; Binnendijk, BSc G.P.; Borgsteede, PhD F. and Gaasenbeek, BSc C. (2007) In vivo testing of alternatives for conventional treatment of Ascaris suum in pigs. Reports of Animal Sciences Group of Wageningen UR, no. 82. Animal Sciences Group of Wageningen UR.

[img] PDF
224Kb

Online at: http://library.wur.nl/way/bestanden/clc/1864044.pdf

Summary

Summary
The percentage of disapproved livers of growing and finishing pigs has been increased significantly during the last years. In organic pig farms, this percentage is often higher than in conventional pig farms. In most cases, disapproved livers are the result of an infection with Ascaris suum. Usually, an infection of Ascaris suum is treated or controlled by using conventional synthetic drugs belonging to the benzimidazoles, levamisole and macrocyclic lactones. Organic farmers, however, prefer a non-pharmaceutical approach of worm control. Therefore, phytotherapy could be an perspective alternative.
The objective of this study was to test herb alternatives for the prevention and control of a mild infection of Ascaris suum in growing and finishing pigs. Two different herb mixtures were tested. Feed was supplemented with 3% of a herb mixture, thereby adding 1% Thymus vulgaris, 1% Melissa officinalis and 1% Echinacea purpurea to the diet, or with 4% of a herb mixture, thereby adding the mentioned herbs plus 1% Camellia sinensis (black tea) to the diet. Pigs were infected by 1000 worm eggs each. Comparatively, a negative control group (no treatment) and a positive control group (treatment with conventional synthetic drug Flubendazole) were included.
An experiment was conducted with 32 young boars (average starter weight was 24 kg) purchased from a SPF-pig farm. The pigs were monitored during 67 days in the period December 2006 until February 2007. In this study, four experimental treatments were compared:
1. negative control: no treatment was applied to prevent or control an infection with Ascaris suum;
2. positive control: pigs were treated with a conventional anthelmintic (Flubendazole) one week before slaughter;
3. herb mixture: pigs were fed a diet supplemented with a herb mixture;
4. herb mixture + tea: pigs were fed a diet supplemented with a herb mixture (as treatment 3) plus black tea.
From this experiment it was concluded that a diet with a herb mixture containing 1% Thymus vulgaris, 1% Melissa officinalis and 1% Echinacea purpurea for growing and finishing pigs did not decrease the number of pigs which are infected with Ascaris suum, but did reduce the average number of worms in the gastro intestinal tract. The addition of 1% black tea to this herb mixture did not result in a lower number of infected pigs and also did not reduce the average number of worms in pigs. Flubendazole appeared to be an effective deworming product.
On organic farms with a low worm infection probably a combination of a conventional synthetic drug and a diet with herb mixture containing 1% Thymus vulgaris, 1% Melissa officinalis and 1% Echinacea purpurea is an option. It depends on the level of worm infection whether it is an opportunity to deworm sows, weaners and/or growing finishing pigs with a diet containing the herb mixture to keep the level of Ascaris suum at an acceptable low level. Examination of faeces of sows, weaners and growing and finishing pigs regularly, and also the percentage of disapproved livers of growing and finishing pigs, can support to monitor the level of worm infection on the farm. Based on this monitoring probably a strategy of varying deworming with a synthetic drug and a diet with herb mixture can be developed for the different categories of pigs. Further research on this method, and also the suitable period to supply this herb mixture to sows related to stage of pregnancy and weaners related to age and feed intake, is desirable.

Summary translation

Samenvatting
Aanleiding
Het percentage afgekeurde levers van vleesvarkens vertoont de laatste jaren een duidelijk stijgende lijn. Op biologische varkensbedrijven ligt dit percentage bovendien vaak hoger dan op conventionele bedrijven. De oorzaak hiervan is veelal een spoelworminfectie. Momenteel worden spoelwormen (Ascaris suum) op varkensbedrijven bestreden of onder controle gehouden door gebruik te maken van conventionele synthetische medicijnen met onder andere benzimidazoles, levamisol of macrocyclische lactonen als werkzame stoffen. Dergelijke farmaceutische (of allopathische) middelen passen eigenlijk niet bij de filosofie van de biologische varkenshouderij. Ze brengen namelijk chemische stoffen in het milieu die mogelijk ecologische schade veroorzaken. In deze sector geeft men de voorkeur aan het gebruik van natuurlijke stoffen (die het milieu minder schade berokkenen) bij het beheersen van de wormbelasting.
Er zijn aanwijzingen dat bepaalde kruidenmengsels in staat zijn om de wormbelasting laag te houden. Uit een eerder door ASG uitgevoerde studie (Gaasenbeek et al., 2004) bleek dat een mengsel van tijm, citroenmelisse en zonnehoed in een dosering van 5% door het voer bij individueel gehuisveste vleesvarkens een goede preventieve bescherming gaf tegen Ascaris suum. Deze varkens waren individueel besmet met 1000 wormeieren. Ook de resultaten bij een dosering van 1% van het kruidenmengsel waren hoopvol. Een opvolgend experiment (Van der Gaag et al., 2004), waarin hetzelfde kruidenmengsel werd ingezet (dosering 3%) liet deze preventieve werking echter niet zien. De varkens in het tweede experiment waren gehuisvest in groepen van 6 varkens per hok. Om een natuurlijke besmetting na te bootsen werden 60.000 wormeieren per hok geplaatst. Het achterwege blijven van een positief resultaat kan mogelijk toegeschreven worden aan een te hoge wormbelasting.
Het werkingsmechanisme van dit kruidenmengsel is vermoedelijk vooral gebaseerd op antibacteriële eigenschappen. De wormen zouden mogelijk worden verdoofd en/of beschadigd en via de faeces worden uitgescheiden. Volgens deskundigen kan bovengenoemd kruidenmengsel, aangevuld met een looistof, wellicht een nog breder werkingsmechanisme hebben. Looistoffen verminderen namelijk niet alleen het aantal geproduceerde eieren maar lijken ook de verschillende groeistadia van Ascaris suum te verstoren. Daarnaast verstoren looistoffen mogelijk de aanhechting van spoelwormen aan het darmepitheel. Een voorbeeld van een kruid dat rijk is aan looistoffen is zwarte thee.
Het doel van dit onderzoek was na te gaan wat de preventieve werking is van het genoemde kruidenmengsel (1/3 deel tijm, 1/3 deel citroenmelisse en 1/3 deel zonnehoed) in een dosering van 3%, als ook van dit kruidenmengsel aangevuld met 1% zwarte thee, op een milde besmetting met spoelwormen (Ascaris suum) bij vleesvarkens. Het besmettingsniveau was 1000 wormeieren per vleesvarken. Ter vergelijking zijn een negatieve controle (geen behandeling) en een positieve controle (behandeling met chemisch ontwormmiddel Flubendazole) in het onderzoek meegenomen.
Uitvoering van het onderzoek
Het onderzoek is uitgevoerd met 32 individueel gehuisveste beertjes, afkomstig van een SPF-bedrijf. De dieren zijn opgelegd bij een gewicht van gemiddeld 24 kg en gedurende 67 dagen gevolgd. Voorafgaand aan de wormbesmetting is gecontroleerd dat de dieren vrij waren van Ascaris suum. De volgende vier proefbehandelingen zijn vergeleken:
1) negatieve controle: aan de dieren is géén middel verstrekt om wormbesmetting tegen te gaan;
2) positieve controle: de dieren zijn 1 week voor slachten behandeld met Flubendazole;
3) kruidenmengsel: aan de dieren is gedurende 36 dagen voer met een kruidenmengsel verstrekt;
4) kruidenmengsel + zwarte thee: de dieren kregen gedurende 36 dagen voer met het kruidenmengsel als bij proefbehandeling 3 verstrekt, plus zwarte thee.
Alle vleesvarkens kregen vanaf opleg gedurende de eerste drie dagen een commercieel biologisch startvoer. Vanaf dag 3 na opleg werd aan de dieren in de proefbehandelingen 3 en 4 een vergelijkbaar startvoer met respectievelijk het kruidenmengsel (met 1% tijm (Thymus vulgaris), 1% citroenmelisse (Melissa officinalis) en 1% zonnehoed (Echinacea purpurea)) en het kruidenmengsel plus 1% zwarte thee (Camellia sinensis) verstrekt. In de periode van 17 tot 21 dagen na opleg zijn aan ieder dier dagelijks 200 wormeieren oraal toegediend. Op dag 39 is gestopt met het verstrekken van de voeders met kruidenmengsel en zwarte thee. Alle dieren kregen vanaf die dag hetzelfde commerciële startvoer verstrekt. Op dag 59 zijn de varkens in proefbehandeling 2 behandeld met Flubendazole. Omdat vleesvarkens aan het einde van de vleesvarkensfase in staat zijn spoelwormen af te drijven, zijn de dieren al op dag 67 van het experiment gedissecteerd. De levers zijn beoordeeld op het vóórkomen van white spots en de wormbelasting in de dunne darm is bepaald. Bij opleg, op dag 17 (start toedienen wormeieren), dag 39 (einde verstrekking proefvoeders) en dag 67 (einde van het onderzoek) zijn de dieren gewogen. Daarbij is de verstrekte hoeveelheid voer vastgelegd. Hieruit zijn groei, voeropname en voederconversie berekend.
Resultaten
Uit het feit dat bij alle levers in meer of mindere mate white spots zijn waargenomen blijkt dat de worminfectie goed is aangeslagen. Uit het aantal dieren waarin bij dissectie spoelwormen in de dunne darm zijn gevonden bleek dat het kruidenmengsel in het voer er niet toe heeft geleid dat de wormeieren, direct na de infectie, volledig zijn uitgedreven. Echter, het gemiddelde aantal wormen in dieren die het kruidenmengsel kregen verschilde niet significant van dieren die met Flubendazole zijn behandeld. Omdat alle acht dieren die met Flubendazole zijn behandeld geheel vrij waren van spoelwormen blijkt Flubendazole een effectief ontwormmiddel te zijn. Het gemiddelde aantal wormen in dieren die het kruidenmengsel plus zwarte thee kregen verschilde niet significant van het gemiddelde aantal wormen bij dieren die alleen het kruidenmengsel kregen, maar het lag numeriek gezien op een vergelijkbaar niveau als bij de dieren die in het geheel niet behandeld waren tegen wormen.
Er is geen aantoonbaar verschil in groeisnelheid tussen de vier proefbehandelingen. Wel is er in de periode van opleg tot start van de wormbesmetting (D0 – D17) een tendens (p=0,09) tot lagere groeisnelheid van de dieren die voer met kruidenmengsel plus zwarte thee verstrekt kregen dan bij de Flubendazole-groep. Ook over de gehele periode dat de proefvoeders zijn verstrekt (D0 – D39) is er sprake van deze tendens (p=0,10). Dit is opvallend omdat de dieren die tijdens de proef op dag 59 Flubendazole kregen toegediend tot dat moment hetzelfde zijn behandeld en gevoerd als de dieren in de groep ‘geen behandeling’. De verschillen in technische resultaten tussen de dieren in de groep ‘geen behandeling’ en de dieren die voer met het kruidenmengsel plus zwarte thee verstrekt kregen zijn, absoluut gezien, kleiner.
Ook is er geen aantoonbaar verschil in voeropname en voederconversie tussen de vier proefbehandelingen. Absoluut gezien lijkt de opname van het voer waaraan de combinatie van kruidenmengsel en zwarte thee is toegevoegd wat lager (D0 – D39). Dit geldt niet voor het voer met alleen het kruidenmengsel: de voeropname ligt hier op een vergelijkbaar niveau als bij negatieve controlegroep (groep ‘geen behandeling’). Mogelijk beïnvloedt de zwarte thee, door de smaak, de voeropname enigszins negatief.
Conclusies
Toepassing van 3% kruidenmengsel (met 1% tijm, 1% citroenmelisse en 1% zonnehoed) in het voer leidt bij een besmetting met 1000 wormeieren niet tot een vermindering van het aantal met spoelwormen besmette vleesvarkens maar wel tot een iets lager aantal wormen in het dier. De toevoeging van 1% zwarte thee aan dit kruidenmengsel geeft geen vermindering van het aantal met spoelwormen besmette dieren en ook niet van het aantal wormen in het dier. Flubendazole is een effectief ontwormmiddel.
Praktijktoepassing
In dit onderzoek is geen verschil aangetoond in het aantal geïnfecteerde vleesvarkens tussen het niet behandelen tegen spoelwormen en het behandelen middels 3% kruidenmengsel (met 1% tijm, 1% citroenmelisse en 1% zonnehoed) in het voer, dan wel dit kruidenmengsel plus 1% zwarte thee. De mate van wormbesmetting (uitgedrukt in het aantal wormen in het dier) is bij het verstrekken van het kruidenmengsel wel gunstiger. Het hangt af van het niveau van wormbesmetting op het bedrijf of voer met het kruidenmengsel, naast ontwormen met een chemisch middel, een mogelijkheid kan zijn om de infectiedruk van spoelwormen op biologische bedrijven op een voldoende laag niveau te houden. Te denken valt aan mestonderzoek bij zeugen, gespeende biggen en vleesvarkens om het niveau van wormbesmetting te monitoren. Ook geeft het percentage afgekeurde levers van vleesvarkens een goede indruk. Op basis daarvan kan mogelijk een strategie van het afwisselend ontwormen van dieren met een chemisch middel en met een kruidenmengsel voor de verschillende diercategorieën ontwikkeld worden. Nader onderzoek naar deze methode, als ook de geschikte periode voor het verstrekken van deze kruiden aan zeugen in relatie tot drachtstadium en aan gespeende biggen in relatie tot leeftijd en voeropname, is gewenst.

EPrint Type:Report
Keywords:Herb, phytotherapy, Ascaris suum, growing - finishing pigs, antelminthic effect
Subjects: Animal husbandry > Health and welfare
Animal husbandry > Feeding and growth
Research affiliation: Netherlands > Wageningen University and Research Centre WUR > Animal Sciences Group ASG
Deposited By: van Krimpen, PhD Marinus
ID Code:14950
Deposited On:10 Nov 2008
Last Modified:12 Apr 2010 07:38
Document Language:English
Status:Published
Refereed:Not peer-reviewed

Repository Staff Only: item control page